Zwolle – We zijn digitaal volop met elkaar verbonden en toch voelen veel mensen zich alleen. Hoe kan dat? Geestelijk verzorgers Anke van der Hoek en Hans Baart weten hoe ingewikkeld het kan zijn om écht contact te maken. Ze delen hun inzichten over eenzaamheid en geven tips over wat we zelf kunnen doen om het verschil te maken.
Zijn we in Nederland eenzamer geworden ?
Anke: ‘De samenleving is individualistischer geworden. De sociale groepen van vroeger, zoals kerken en verenigingen, zijn minder sterk. Iedereen kiest zijn eigen weg. Als er dan iets misgaat, kan het harder werken zijn om ergens bij te horen. Dat zijn situaties waarin eenzaamheid kan ontstaan.’
Hans: ‘We leven in een grote paradox. Via beeldschermen zijn we socialer dan ooit, maar tegelijk neemt eenzaamheid toe. Ik denk niet dat je moet onderschatten hoe het voor jongeren is. Online is alles snel, makkelijk en positief. Maar echte gesprekken zijn weerbarstiger. Als je dat minder oefent, wordt het lastiger en kan eenzaamheid ontstaan. Corona heeft zichtbaar gemaakt dat ook jongeren eenzaam kunnen zijn.’
Hoe kijken jullie naar contact in de huidige samenleving ?
Anke: ‘Vroeger was je tot elkaar veroordeeld. Je moest een onderling meningsverschil overwinnen, want anders verloor je alles: je club, je kerk, je dorp. Nu kun je online nieuwe mensen zoeken. Ik hoor soms verhalen van ouders en kinderen die elkaar niet meer willen zien vanwege een meningsverschil. En vaak is dat meningsverschil niet onoverkomelijk.’
Hans: ‘De strijd tegen eenzaamheid vraagt om flexibiliteit en verdraagzaamheid. Je hoeft jezelf niet op te geven, maar je moet wel ruimte durven geven aan moeilijk contact.’
Anke: ‘Je ziet het in een ziekenhuiskamer waar meerdere patiënten verblijven ook. Sommige mensen maken meteen contact. Anderen vinden het niet fijn om met anderen op een kamer te liggen. Je hebt elkaar natuurlijk niet uitgezocht, maar je moet het wel met elkaar uithouden. En bij iedereen is de emmer wel eens vol. Als je zelf hartstikke ziek bent, zit je niet op piepjes van het apparaat van je buurman te wachten. Maar je ziet op dit vlak wel echt twee verschillende soorten mensen.’
Hans: ‘En dat is niet verwijtend of negatief bedoeld. Eenzaamheid gaat om twee mensen en allebei kun je daar wat in doen. Je eigen houding, je karakter; alles speelt mee. Het komt dan gewoon voor dat in een zaal waar meerdere mensen verblijven, er écht contact wordt gemaakt onderling. Dat zijn prachtige momenten.’
Wat is genoeg contact?
Anke: ‘Iemand kan zich goed voelen als er op maandagochtend iemand komt koffiedrinken, een ander ziet vooral de zes dagen dat die persoon er niet is. Die ziet vooral het alleen zijn. En ook dat is niets negatiefs: iedereen is daarin anders. Het is niet handig om iemand te zeggen: uw zoon komt toch elke maandag, dus dan ben je toch niet eenzaam? Dan verwijt je iemand iets. Het helpt om nieuwsgierig te zijn.’
Hans: ‘Ik vraag mensen ook wel eens: hoe komt het dat u eenzaam bent? En wat mist u dan precies? Dan komen soms verrassende dingen naar boven. En soms komt er ook een inzicht: het is soms ook wat het is.’
Wat kunnen mensen doen als zij vermoeden dat iemand in hun omgeving eenzaam is?
Hans: ‘Ze kunnen het negeren. Dat is wat vaak gebeurt. De andere optie is contact leggen. Dat je toch even zwaait als iemand naar buiten kijkt. Of zomaar een kaartje door de brievenbus doet. Het menselijk bestaan gaat om verbinding. Dus je kunt kijken hoe je iets van verbinding kunt leggen. En hoevéél verbinding, want je moet ook je eigen grenzen bewaren. Er zijn zoveel manieren.’
Anke: ‘Oogcontact maken, glimlachen, groeten. Dat doet vaak al veel met iemand. Maar je hoeft ook niet per definitie aan te nemen: mevrouw zit altijd alleen aan tafel, die is vast eenzaam.’
Hans: ‘Een mens is soms eenzaam, maar een eenzame is altijd een mens. We spreken geregeld mensen die al wat ouder zijn. Altijd denk ik: jij bent ooit tien jaar geweest, hebt slootje gesprongen, belletje geleld. De ander is niet iets, oud of eenzaam; de ander is iemand, een medemens, iemand zoals jij.’
Anke: ‘Het is goed om niet te snel iets in te vullen. Die ene man in een kapotte broek hoeft geen zwerver te zijn. En die persoon in dat mooie pak is misschien wel doodongelukkig.’
Is iemand aankijken en groeten echt al genoeg?
Anke: ‘In het verpleeghuis waar ik jaren geleden werkte, hadden we een regel. Elke ontmoeting is een begroeting. Dan kwam je iemand zes keer tegen en élke keer groette je. Dat gaf echt een andere sfeer. Bij bijvoorbeeld een bushalte iemand aankijken en groeten, daar begint het volgens mij mee.’
Hans: ‘Het geeft iemand bestaansrecht. “Ik zie je, je mag er zijn.”’
Maar bijna iedereen kijkt bij de bushalte op zijn telefoon.
Anke: ‘Ik zoek dan toch iemand die niet op de telefoon kijkt.’
Hans: ‘Je kunt ook iemand vragen om jou ergens mee te helpen: “hoe laat gaat de bus eigenlijk?”. Negen van de tien keer wil iemand wel iets voor je doen. We staan niet alleen, we leven niet alleen. Dat denken we soms wel, omdat we het ‘ik’ hebben uitvergroot.’
Wat willen jullie mensen die zich eenzaam voelen meegeven?
Hans: ‘Je mag erop vertrouwen dat je níet wordt afgewezen als je op iemand afstapt. Al heb je misschien al een paar keer je neus gestoten. Er zijn 8 miljard medemensen op deze wereld en verreweg de meesten vinden het fijn om contact te hebben. Dus ook met jou. Je bent welkom.’





